Steltlopen, hoepelen, knikkeren, sjoelen, hinkelen
Steltlopen
Een stelt is een lange lat met daaraan een driehoek geschroefd. Daar moesten je voeten op staan. De latten klemde je
onder je armen en dan moest je zo proberen te lopen. Er waren ook stelten met "twee verdiepingen". Dan kon je wat hoger van de grond komen, maar dat was moeilijker omdat de steltlatten dan niet altijd meer onder je arme geklemd kon worden en ze dus met alleen je handen in evenwicht gehouden moesten worden. Er werden onderling hardloopwedstrijden mee gehouden. Als je goed was kon je op één been hinkelen of met de stelten een trap op en af lopen. Als je supergoed was kon je de trap op en af hinkelen op één stelt.
Knikkeren
Knikkeren bestaat al eeuwenlang. Vroeger maakten de mensen de knikkers zelf van marmer, steen, hout of klei. Tegenwoordig worden ze vaak van glas gemaakt, maar ze zijn er ook van metaal en natuurlijk ook van klei (steen). Al voor het jaar 1
speelden Romeinse en Egyptische kinderen ermee. Maar ook volwassenen knikkerden. In de 17e eeuw speelden de rijke mensen in Frankrijk een soort knikkerspel: het 'bruggenspel'. De knikkers moesten door een poortje getikt worden om punten te halen. Vroeger had je ook geen knikkerzakjes, maar deden de kinderen hun knikkers in een washandje.
Je kunt verschillende soorten spelletjes doen met knikkers. Bijvoorbeeld wie ligt het dichtste bij de muur. Dan moet je om beurten een knikker naar de muur gooien. Welke knikker het dichtste erbij ligt mag alle knikkers hebben. Of knikkeren in een potje: je moet proberen om alle knikkers in het potje te krijgen. Als je een knikker in het potje rolt mag je nog een keer. Rol je de knikker er naast dan is de volgende aan de beurt. Wie de laatste knikker in het potje krijgt heeft gewonnen, die mag alle knikkers hebben die in het potje liggen. Maar: 'Het gaat om het spel, niet om de knikkers'.
Er zijn verschillende manieren om te knikkeren, door je wijsvinger van achter je duim vandaan te laten schieten of andersom, of door met een kromme wijsvinger tegen de knikker aan te stoten.
Een vaste hand, goed mikken en een hoop oefening: dat heb je nodig om een goede knikkeraar te zijn.
Hoepelen

Hiervoor gebruikte men een rond gebogen ijzeren staaf, waarvan de uiteinden aan elkaar waren gemaakt. Met een stok sloegen de kinderen de hoepel over de straat. Natuurlijk was het dan de kunst wie het langste zijn hoepel kon laten rollen met de stok (en niet met je handen) Tip: Vaak werd een oud fietswiel zonder spaken en zonder banden gebruikt om mee te hoepelen. Tollen
Een draaitol is een stuk speelgoed, dat door snel ronddraaien rechtop kan blijven staan terwijl het in stilstand om zou vallen.
Een draaitol zag er meestal uit als een soort paddestoel. De steel van de "paddestoel"was in een punt geslepen net als een potlood. In de punt werd een bolle spijker geslagen. Je had dan ook nog een stok nodig met daaraan een lang touw. Het touw moest eerst zorgvuldig om de "steel van de paddestoel" gewikkeld worden. Dan zette je de de punt van de tol op de grond en gaf met het stokje een harde ruk om de tol aan het draaien te krijgen. Dat moest je niet te hard doen en ook niet te zacht. Menige tol is daardoor door de lucht gevlogen en soms ook door de ruit van een woning. Als de tol eenmaal draaide moest je die zo lang mogelijk aan het draaien houden door met het touwtje aan het stokje tegen de steel van de "paddestoel"te slaan. Dat viel nog net mee. Als je te hard sloeg vloog de tol ver weg. Je moest het dus beheerst doen en daar was niet ieder kind voor in de wieg gelegd.
Zelf kun je eenvoudig tolletjes maken met eikels en lucifers. Gewoon een lucifer in het plat stuk van de eikel prikken. Het beste gaat dit met amerikaanse eikels, die zijn wat dikker dan de nederlandse.
Ook kun je ze simpel maken uit dik karton : karton uitknippen, gaatje in het midden, potlood hierdoor. Je kan met optische illusies werken bijvoorbeeld blauw en geel afwisselen op de schijf, bij ronddraaien geeft dit groen..... een spiraal erop tekenen werkt, zeer hypnotiserend
Zaklopen
Dit was typisch zo'n spelletje met speciale feestdagen zoals Koninginnedag. Je had een juten aardappelzak. Daar moesten je benen in en je voeten moest je goed in de punt van de zak duwen. Dan kon je met de zak lopen of springen. Dan werden er wedstrijden gehouden. Je moest dan als snelste een bepaalde afstand overbruggen. Meestal werd dat twee aan twee gedaan en de verliezer viel dan af. Dat ging dan net z lang door tot er een winnaar was en die kreeg dan een prijsje.
Koekhappen
Leuk was dat bij verjaardagspartijen. Men nam een ontbijtkoek (peperkoek) en sneed deze in plakken. Men pakte een stuk dun touw. Met een naald werden de sneetjes koek aan dit touw geregen. Dat moest een beetje in de hoek van de plak koek, zodat deze met een punt naar beneden hing. Vervolgens kreeg iemand een blinddoek voor, meestal was dat een afdroogdoek. De kunst was nu om zonder je handen te gebruiken de koek van het touw te happen. Je beloning was eigenlijk alleen de koek zelf.
Sjoelen

Sjoelen is een gezellig oud-Hollands spel. Je speelt het met een langwerpige houten bak, de zogenaamde sjoelbak, en houten schijven. Aan het eind van de bak zitten vier poortjes, kleine openingen waar de schijven net doorheen passen. Het doel van het spel is de schijven door de poorten te schuiven. Als alle stenen zijn geschoven, worden de stenen die niet achter een poortje zitten weer teruggehaald. Deze mogen dan voor de tweede of eventueel daarna voor de derde keer worden geschoven. Na drie beurten worden de punten geteld. Voor het bepalen of een steen wel of niet in een van de vier vakken is gelden officiële regels. Sjoelen is namelijke een officieel erkende sport. De juiste regel is dat de steen in zijn geheel de opening moet zijn gepasseerd. Vaak wordt in huiselijke kringen gehanteerd: het schuiven met een vinger of ander voorwerp langs de poorten en wanneer de steen bij die beweging de poort inschuift telt deze mee, schuift de steen weer naar buiten, telt deze niet mee. De poortjes leveren verschillende waarderingen op. Aan de buitenkant zitten de 1 en de 2 en in het midden de 3 en de 4. Als in elk vak achter de poortjes een steen zit dan tellen niet de afzonderlijke punten van de vakjes die samen 10 punten is, maar is die combinatie 20 punten waard. Je moet dus goed verdelen. Heb je in ieder vak 3 stenen, dan heb je dus al 60 punten. Het gaat hier niet echt om een taktiek, maar techniek is erg belangrijk. Heel gezellig om soms op een avond de bak weer eens op tafel te zetten.
